ECLI:NL:CRVB:2017:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor achterstallige hypotheekrente wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor woonkosten, specifiek achterstallige hypotheekrentebetalingen over een periode van enkele maanden. Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (PW), omdat bijstand voor schulden in principe niet wordt verleend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van zeer dringende redenen, omdat de afwijzing van eerdere aanvragen tot een betalingsachterstand had geleid. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het begrip zeer dringende redenen in lijn moet worden geïnterpreteerd met de vaste rechtspraak onder de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij bijstand alleen wordt verleend als de omstandigheden van de betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen.
De Raad stelde vast dat appellant ten tijde van de aanvraag beschikte over een inkomen boven de bijstandsnorm en dat de schuld niet zodanig was dat deze zijn directe bestaansvoorziening bedreigde. Daarom kon niet worden gesproken van zeer dringende redenen die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 maart 2017.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor achterstallige hypotheekrente wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.