ECLI:NL:CRVB:2018:1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor schulden wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant ontving tot januari 2012 bijstand en kreeg vanaf augustus 2015 opnieuw bijstand toegekend. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor leningen en aflossingen, maar het college wees dit af omdat de schulden niet in aanmerking komen voor bijstand en artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet dit verbiedt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overweegt dat appellant op het moment van aanvraag beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, waardoor bijzondere bijstand voor schulden volgens artikel 13 lid 1 onder Pro g niet wordt toegekend.
Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er zeer dringende redenen waren zoals bedoeld in artikel 49 lid 1 onder Pro b van de Participatiewet die een uitzondering op dit verbod rechtvaardigen. Appellant kon betalingsregelingen treffen en had al een deel van de schulden afgelost, wat wijst op het ontbreken van onvermijdelijke bijstandsbehoefte.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor schulden wordt afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen.