Uitspraak
16 juli 2015, 15/1131 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds januari 2014 bijstand op grond van de WWB. Hij meldde niet tijdig aan het college dat zijn ontslag bij defensie was ingetrokken en dat hij een nabetaling van loon had ontvangen. Het college legde daarom een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden en dat opzet niet was aangetoond.
De Raad oordeelt dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet tijdig te melden, maar dat het college onvoldoende heeft bewezen dat sprake was van opzet. Daarom is de boete te hoog vastgesteld. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en stelt de boete vast op 50% van het benadelingsbedrag, wat neerkomt op €442,49.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Hiermee wordt de evenredigheid van de boete hersteld en wordt het recht op een correcte toepassing van de wet gewaarborgd.
Uitkomst: Boete wegens schending inlichtingenverplichting vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, €442,49.