Uitspraak
21 april 2016, 15/3767 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdelinge die bijstand ontving op grond van de Participatiewet, had haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken gekregen nadat de officier van justitie besloot geen strafrechtelijk onderzoek te doen naar haar aangifte van mensenhandel. Het college trok vervolgens de bijstand in wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van de bijstand, dat gedeeltelijk werd gehonoreerd met een aangepaste intrekkingsdatum. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en ook in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het beroep verworpen.
De Raad oordeelde dat appellante vanaf 15 januari 2015 geen rechtmatig verblijf meer had en daardoor niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander voor bijstand. Het beroep op artikel 14 EVRM Pro, dat stelde dat het onderscheid in bijstandsverlening tussen personen in bezwaar en in hoger beroep ongerechtvaardigd was, werd verworpen omdat dit onderscheid voortvloeit uit bewuste keuzes van de wetgever. Tevens werd bevestigd dat artikel 16, tweede lid, van de Participatiewet van toepassing is, waardoor zelfs bij zeer dringende redenen geen bijstand kan worden toegekend.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijstand terecht is ingetrokken wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel en wijst het beroep op artikel 14 EVRM af.