Uitspraak
16.2207 WLZ
OVERWEGINGEN
:de uitvoering van algemene dagelijkse levensverrichtingen waaronder de persoonlijke verzorging en hygiëne en, zo nodig, de verpleegkundige zorg;
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene vroeg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) indicatie voor zorg vanwege een licht verstandelijke handicap. Het CIZ wees de aanvraag af, omdat uit medisch onderzoek geen actuele diagnose of blijvende zorgvraag bleek. De rechtbank stelde echter vast dat het CIZ onvoldoende had onderzocht of betrokkene recht had op zorg op basis van artikel 3.2.1, derde lid, Wlz, dat een zelfstandige grondslag biedt voor zorg bij combinatie van licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het derde lid van artikel 3.2.1 Wlz een eigen grondslag is, los van het eerste lid. De beleidsregels van het CIZ mogen niet afwijken van deze wettelijke uitleg. De Raad oordeelde dat het CIZ ten onrechte het medisch advies had gevolgd waarin alleen chronische gedragsproblemen en een blijvende zorgvraag werden onderzocht, terwijl het artikel ook tijdelijke zorgbehoefte omvat.
De Raad stelde dat het onderzoek van het CIZ onvoldoende was en dat het bezwaarbesluit vernietigd moest worden. De actuele situatie van betrokkene kan bij een nieuwe beslissing worden betrokken. Het hoger beroep van het CIZ werd afgewezen en het CIZ werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het CIZ wordt afgewezen en het besluit wordt vernietigd, met opdracht tot nieuwe beslissing.