Uitspraak
1. Voor een uitgebreid overzicht van feiten en omstandigheden, een weergave van de uitspraak van de rechtbank en de wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een besluit van Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (appellante) over de indicatiestelling van AWBZ-zorg voor een minderjarig kind (betrokkene). Na een eerdere tussenuitspraak heeft appellante een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de indicaties zijn gewijzigd.
De kern van het geschil betreft de uitleg en toepassing van het begrip 'gebruikelijke zorg' bij kinderen tussen 0 en 18 jaar. Appellante brengt standaard een uur per etmaal in mindering op de noodzakelijke zorg, zonder te beoordelen of deze zorg tot de normale dagelijkse zorg behoort die ouders geacht worden aan hun kind te bieden. De Raad oordeelt dat deze systematiek te theoretisch en grofmazig is en onvoldoende rekening houdt met de individuele omstandigheden van het kind.
De Raad stelt dat appellante in elk individueel geval moet beoordelen welke noodzakelijke zorg boven de zorg voor een kind zonder beperkingen uitgaat, waarbij leeftijd, aard, frequentie en tijdsduur van zorghandelingen betrokken moeten worden. Het nieuwe besluit op bezwaar wordt daarom eveneens vernietigd en appellante wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen conform deze overwegingen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige, individuele beoordeling bij indicatiestelling en corrigeert het beleid dat uitgaat van een standaardkorting zonder objectieve normering van gemiddelde zorgtijden voor kinderen zonder beperkingen.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar van 16 mei 2013 wordt vernietigd en appellante wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met correcte toepassing van het begrip gebruikelijke zorg.