Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2018
Publicatiedatum
17 januari 2018
Zaaknummer
16/5830 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 6 WWArt. 2 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-verzekerd zijn als directeur-grootaandeelhouder

Appellant heeft op 19 november 2015 een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van zijn dienstverband met een besloten vennootschap waarvan hij directeur-grootaandeelhouder (dga) was. Het UWV weigerde de uitkering op grond dat appellant niet verzekerd was voor de WW, wat werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in loondienst was geweest en jarenlang premie had betaald, maar hij kon niet aantonen dat hij geen dga was. De Raad toetste de zaak aan de relevante bepalingen van de WW en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

De Raad concludeerde dat de arbeidsverhouding van een dga niet als dienstbetrekking wordt beschouwd en dat het UWV terecht is uitgegaan van de polisadministratie waaruit blijkt dat appellant dga was. Het arbeidsverleden en premiebetaling zijn niet relevant voor de verzekering voor de WW.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd omdat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet verzekerd is voor de WW.

Uitspraak

16/5830 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
2 augustus 2016, 16/169 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 januari 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft op 19 november 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier is vermeld dat appellant sinds 6 september 2013 een dienstverband had met [naam B.V.] B.V. ([naam B.V.]), dat appellant niet verzekerd is voor de WW, dat 1 december 2015 de vermoedelijke eerste werkloosheidsdag is en dat de dienstbetrekking beëindigd wordt via een op 7 december 2015 ondertekende beëindigingsovereenkomst.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2015 heeft het Uwv appellant de gevraagde WW-uitkering ontzegd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de polisadministratie blijkt dat appellant directeur-grootaandeelhouder (dga) is van [naam B.V.] en dat hij niet verzekerd is voor de WW. Omdat appellant als ondernemer zelf deze gegevens aan de Belastingdienst heeft doorgegeven, heeft het Uwv geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die gegevens.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant als dga van [naam B.V.] dient te worden aangemerkt. De arbeidsverhouding van appellant als dga wordt op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW niet als dienstbetrekking aangemerkt. Dit betekent dat appellant terecht niet in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering op de grond dat hij niet verzekerd was, aldus de rechtbank.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in loondienst was van [naam B.V.], een arbeidsverleden van 21 jaar had en al die jaren premie heeft betaald.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
4.2.
Op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van een persoon die directeur-grootaandeelhouder is.
4.3.
Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder wordt verstaan onder grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW: de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen.
4.4.
De conclusie en de overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant met de enkele stelling dat hij in loondienst was van [naam B.V.] niet heeft onderbouwd dat hij geen dga van deze onderneming was. Het Uwv is terecht uitgegaan van de polisadminstratie, waaruit blijkt dat hij dga van [naam B.V.] was en niet verzekerd was voor de WW. Het arbeidsverleden van appellant en het hebben betaald van premie maakt dit niet anders, nu die aspecten niet relevant zijn voor het verzekerd zijn voor de WW.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018.
(getekend) H.G. Rottier
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

UM