Appellante, een Bulgaarse Unieburger, vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet met ingang van 1 januari 2015. Het college wees de aanvraag af omdat zij volgens het college niet tot de rechthebbenden behoorde, aangezien zij minder dan drie maanden in Nederland verbleef en geen verblijfsrecht kon ontlenen aan de EU-richtlijn. Na bezwaar handhaafde het college het besluit zonder nader onderzoek, ondanks het advies van de bezwaarcommissie om overleg te plegen met de staatssecretaris.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het college eerst had moeten overleggen met de staatssecretaris om te verifiëren of zij de status van werkzoekende had en dus rechtmatig verblijf genoot. De Raad oordeelde dat het college onterecht zelfstandig had vastgesteld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 24, tweede lid, van de EU-richtlijn van toepassing was zonder overleg met de bevoegde staatssecretaris.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de juiste procedure. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Het verzoek om schadevergoeding werd aangehouden tot nader besluit.