Uitspraak
16.8059 PW, 17/490 PW
18 november 2016, 16/3884 (aangevallen uitspraak 1) en 10 januari 2017, 16/3883 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een verzekering voor een gehoorapparaat en de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen voor haar minderjarige zoon met lichamelijke beperkingen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvragen af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en de kosten van de verzekering en eigen bijdrage niet tot de noodzakelijke vergoedingen binnen die voorziening behoren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving voor medische zorgkosten in beginsel als een toereikende en passende voorliggende voorziening gelden. De verzekering van het gehoorapparaat valt niet binnen de vergoedingen van de Zvw, wat een bewuste keuze inhoudt die bijzondere bijstand uitsluit. Ook de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen is een bewuste keuze binnen de Zvw-regeling, waardoor bijzondere bijstand daarvoor niet wordt toegekend.
Er is geen sprake van zeer dringende redenen in de zin van de Participatiewet die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eerdere toekenningen geen garantie bieden voor toekomstige bijstand. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering van bijzondere bijstand voor de verzekering van het gehoorapparaat en de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen.