ECLI:NL:CRVB:2018:2461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstand wegens niet melden inwoning dochter en toepassing kostendelersnorm
Appellant ontvangt sinds 2000 bijstand en woont alleenstaand op een adres te Rotterdam. Zijn meerderjarige dochter is sinds 24 juni 2015 ingeschreven op hetzelfde adres en ontving vanaf 3 augustus 2015 bijstand met toepassing van de kostendelersnorm. Het college herzag de bijstand van appellant over de periode 24 juni tot 31 augustus 2015 en vorderde €583,43 terug omdat de kostendelersnorm niet was toegepast.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en de brutering van het bedrag tot €918,79, stellende dat hij de gewijzigde woonsituatie tijdig had gemeld en dat de regeling omtrent inlichtingenplicht nog niet van kracht was. Ook voerde hij aan dat zijn chronische ziekte en psychosociale problemen hem niet konden worden verweten.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellant niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht, omdat hij niet aantoonde dat hij het college tijdig had geïnformeerd over de inwoning van zijn dochter. De regeling die de inlichtingenplicht beperkt, was nog niet van kracht. Ook werd geoordeeld dat de terugvordering en brutering terecht waren, omdat geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de bijstand met terugvordering en brutering bevestigd.