ECLI:NL:CRVB:2020:3435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens niet gemeld vermogen in Suriname
Appellant ontving vanaf 2006 bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam onderzocht na een anonieme melding over bezit van onroerend goed in Suriname. Het college stelde vast dat appellant eigenaar was van twee percelen grond met een gezamenlijke waarde boven de vermogensgrens en trok de bijstand met ingang van 1 maart 2016 in en vorderde terugbetaling over de periode 1 november 2011 tot 29 februari 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat appellant redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken omdat de percelen op zijn naam stonden geregistreerd in officiële registers. De stellingen van appellant dat hij niet over het vermogen kon beschikken, werden niet aannemelijk geacht wegens gebrek aan bewijs en onvolledige onderbouwing.
De Raad oordeelde dat het college terecht de terugvordering bruto heeft vastgesteld, omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. Wel vernietigde de Raad de intrekking van de bijstand per 1 maart 2016, omdat het college deze niet in samenhang met de terugvordering had beoordeeld. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij beroep alleen bij de Raad mogelijk is. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 maart 2016 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.