Uitspraak
16.7220 WW
OVERWEGINGEN
4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 28 september 2015 een WW-uitkering aan na beëindiging van zijn dienstverband met zijn werkgever. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis van minimaal 26 arbeidsweken in 36 weken en omdat er geen bewijs was van een dienstverband met de rijschool waarvoor hij werkzaamheden zou hebben verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de door appellant overgelegde stukken onvoldoende waren om het dienstverband aan te tonen. De brief van een derde en de verklaringen van appellant waren tegenstrijdig en niet ondersteund door objectieve gegevens zoals loonstroken of aangifte bij de Belastingdienst.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij via zijn werkgever was uitgeleend aan de rijschool en dat de gewerkte uren meegeteld moesten worden. De Raad volgde dit niet en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, stellende dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd en dat het aan hem was om aannemelijk te maken dat hij als werknemer werkzaam was geweest.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.