ECLI:NL:CRVB:2018:2755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante, met de Oekraïense nationaliteit, kwam in 2013 naar Nederland om zich bij haar Nederlandse echtgenoot te voegen. Zij en haar kinderen verbleven aanvankelijk in een opvangcentrum vanwege huiselijk geweld en ontvingen zak- en kleedgeld van de gemeente. Appellante beschikte pas vanaf augustus 2014 over een zelfstandige woonruimte.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellante over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 geen recht had op kinderbijslag omdat zij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
In hoger beroep stelde appellante dat haar moeilijke situatie onvoldoende was meegewogen en dat werk niet vereist is voor kinderbijslag. De Svb benadrukte het belang van een zelfstandige woning en verblijfsstatus. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de feitelijke woonsituatie en andere omstandigheden onvoldoende waren voor ingezetenschap. De gewijzigde situatie na het derde kwartaal deed hieraan niets af. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Appellante had op de peildata geen recht op kinderbijslag omdat zij geen ingezetene van Nederland was.