ECLI:NL:CRVB:2020:1257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering en bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in snackbar
Appellant ontving vanaf 26 augustus 2016 een IOAW-uitkering en aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant fulltime werkte in een snackbar, voerde de gemeente Amsterdam een onderzoek uit. Dit leidde tot het besluit van 21 april 2017 om de uitkeringen in te trekken vanwege niet gemelde werkzaamheden.
Appellant stelde dat de werkzaamheden tot 1 januari 2017 onbeloond waren en dat de uitkeringen ten onrechte waren ingetrokken. De Raad oordeelde dat de werkzaamheden, ondanks het ontbreken van loon, als op geld waardeerbaar moesten worden beschouwd en dat appellant hierdoor zijn hoedanigheid als werkloze werknemer verloor. Bovendien had appellant geen administratie bijgehouden, waardoor de omvang van de werkzaamheden niet kon worden vastgesteld.
Voor de periode vanaf 1 januari 2017 erkende appellant dat hij betaald werd, maar de door hem overgelegde salarisspecificaties waren tegenstrijdig met zijn eerdere verklaringen en niet onderbouwd met objectieve gegevens. De Raad concludeerde dat het college terecht de uitkeringen had ingetrokken en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de IOAW-uitkering en bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden.