Uitspraak
16.2621 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig secretaresse, meldde zich in 2009 ziek met rug- en buikklachten en later oedeem aan haar rechterenkel en voet. Het UWV stelde in 2011 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. In 2014 meldde appellante een uitbreiding van haar klachten en verzocht om herbeoordeling, welke het UWV in 2015 weigerde vanwege het ontbreken van een toename van beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd, ondanks dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet bij de hoorzitting aanwezig was en alleen dossieronderzoek verrichtte. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en verwees naar een osteopaat, maar dit leidde niet tot twijfel aan het oordeel van de UWV-artsen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat alle klachten en medische informatie waren betrokken en dat er geen nieuwe inzichten waren die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WIA-uitkering en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van beperkingen.