ECLI:NL:CRVB:2018:2828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij weigering jeugdhulp en Wmo-begeleiding
Appellant, geboren in 1998 en met een verstandelijke beperking, ontving tot 1 mei 2016 begeleiding en persoonlijke verzorging via een persoonsgebonden budget (pgb). Hij deed een verzoek om jeugdhulp vanwege nachtelijk bedplassen, dat door het college werd afgewezen. Hiertegen stelde appellant bezwaar en beroep in. Tevens vroeg appellant begeleiding aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), waarvoor hij een indicatie kreeg, maar ook hiertegen werd bezwaar en beroep ingesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank oordeelde dat gezien de toegekende indicatie voor langdurige zorg (Wlz) de beoordeling van de geschillen geen invloed meer heeft op toekomstige indicaties en dat appellant geen schade had aangetoond.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd verzet, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat procesbelang vereist dat het beoogde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor appellant. Omdat appellant geen schade aannemelijk heeft gemaakt en de indicatie Wlz-zorg de beoordeling van de geschillen irrelevant maakt, is het beroep niet ontvankelijk.
De Raad wijst proceskosten af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring bevestigd wegens ontbreken van procesbelang.