ECLI:NL:CRVB:2018:2843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde chauffeurswerkzaamheden deels vernietigd
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf mei 2006. Na een onderzoek naar niet gemelde inkomsten als chauffeur van escortdames, besloot het college de bijstand in te trekken en terug te vorderen over diverse periodes tussen 2012 en 2014. De rechtbank verklaarde het beroep deels ongegrond en deels gegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat voor de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 onvoldoende feitelijke grondslag bestond om de bijstand in te trekken, omdat niet aannemelijk was dat appellant gedurende deze maanden werkzaamheden had verricht. Ook voor de periode van 18 juli 2014 tot en met 30 juli 2014 was de intrekking onterecht vanwege het verstrijken van de opschortingstermijn en het ontbreken van onderzoeksbevindingen.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het nader besluit voor deze periodes en bepaalde dat het college de bijstand moet nabetalen. Tevens moet het college een nieuw besluit nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over bepaalde periodes worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag en onjuiste toepassing van de WWB.