Uitspraak
16.7776 WWB
OVERWEGINGEN
.
BESLISSING
voor zover het de hoogte van de boete betreft;
in de plaats treedt van het besluit van 12 april 2016;
van in totaal € 170,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 1993 bijstand en woonde in een woonwagen op een locatie die als handhavingsknelpunt is aangemerkt. Tijdens een huiszoeking in 2013 werd bijna €40.000 aan contant geld en diverse luxe goederen aangetroffen. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug. Tevens werd een boete opgelegd van €14.294 wegens het niet melden van vermogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht uitgaat van het bezit van contant geld en luxe goederen als middelen die van invloed zijn op het recht op bijstand. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het geld aan haar zoon toebehoorde of dat de luxe goederen op andere wijze waren verkregen. Hierdoor is sprake van schending van de inlichtingenverplichting.
De Raad stelt echter vast dat geen sprake is van opzet of grove schuld, waardoor de boete moet worden vastgesteld op 50% van het netto benadelingsbedrag. De financiële gegevens van appellante boden geen aanleiding tot verlaging van de boete. Verder werd een aanvraag om bijstand afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd.
De rechtbank had de boete ongewijzigd gelaten, maar de Raad vernietigt deze beslissing en stelt de boete vast op €4.626,85. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens niet-melding van vermogen wordt vastgesteld op €4.626,85 en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de boete betreft.