Uitspraak
16.6410 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan na een echtscheiding en ontving later een bedrag uit de boedelscheiding dat deels bestemd was voor zijn minderjarige kinderen. Het college vorderde een deel van de bijstand terug omdat appellant feitelijk over het bedrag kon beschikken, ondanks de afspraken en een beschikking van de kantonrechter die het gebruik voor levensonderhoud beperkte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het deel van het bedrag op zijn spaarrekening niet tot zijn vermogen behoorde omdat hij daar niet vrij over kon beschikken vanwege de bestemming voor zijn kinderen en de wettelijke regeling in artikel 1:345 BW Pro.
De Raad oordeelde dat het feit dat het bedrag op een rekening op naam van appellant staat, impliceert dat hij er feitelijk over kan beschikken. De beschikking van de kantonrechter en de afspraken in het echtscheidingsconvenant beperken de feitelijke beschikkingsmacht niet. Morele bezwaren zijn juridisch irrelevant. Het beroep faalt en de terugvordering blijft in stand. Vergoeding van schade wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand blijft in stand.