ECLI:NL:CRVB:2019:2260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemeld vermogen en rechtsgeldigheid terugvordering lening
Appellante ontving bijstand vanaf 28 mei 2013, waarbij haar vermogen werd vastgesteld op €224,75. Later bleek uit onderzoek dat zij ook beschikte over een spaarrekening met een saldo van €17.281,81 per 1 januari 2013, waarvan zij het bestaan niet had gemeld. Op 26 juli 2013 maakte zij €15.000 over naar de rekening van haar ouders.
Het college herzag de bijstand en vorderde terug over de periode 28 mei 2013 tot 3 december 2014, waarbij de bijstand na 26 juli 2013 werd omgezet in een lening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de terugvordering over de periode dat de bijstand als lening werd verstrekt geen wettelijke grondslag had en vernietigde dat deel van het besluit. De intrekking en terugvordering over de periode met niet gemeld vermogen blijft gehandhaafd. De opgelegde boete wordt als evenredig beschouwd. Verder werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd de vergoeding van griffierecht toegekend.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over de periode van lening is vernietigd, intrekking en terugvordering over periode met niet gemeld vermogen gehandhaafd, boete bevestigd.