ECLI:NL:CRVB:2018:3437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- R.B. Kleiss
- S. Wijna
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WGA-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen
Appellant ontving vanaf november 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering die in juli 2012 werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst startte het UWV een onderzoek, waarbij appellant verklaarde sinds 2010 als tuinman te werken en inkomsten niet te hebben doorgegeven. Op basis van een door appellant ondertekend gespreksverslag stelde het UWV de inkomsten over 2011-2013 vast en herzag de uitkering, met terugvordering van €45.682,21.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden en onvoldoende bewijs leverde dat de gehanteerde bedragen onjuist waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij labiel was tijdens het gesprek en dat de bedragen te hoog waren, en verzocht om terugvordering af te zien wegens onaanvaardbare financiële gevolgen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV bevoegd was om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen bij gebrek aan concrete gegevens. De Raad vond geen reden om af te wijken van de door appellant ondertekende bedragen en verwierp zijn stellingen wegens gebrek aan bewijs. Ook waren de financiële gevolgen niet onaanvaardbaar in de zin van dringende redenen om terugvordering te weigeren.
Daarmee bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De proceskosten werden niet aan appellant opgelegd. De uitspraak is gedaan op 31 oktober 2018 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-uitkering terecht heeft herzien en de terugvordering van onverschuldigde betalingen mag effectueren.