ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na intrekking VGB
Appellant was werkzaam bij KLM in een vertrouwensfunctie waarvoor een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) vereist was. Na intrekking van zijn VGB werd hij vrijgesteld van werkzaamheden en werd zijn arbeidsovereenkomst ontbonden wegens wijziging van omstandigheden. Het UWV weigerde een WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag en dat appellant verwijtbaar had gehandeld. Appellant stelde in hoger beroep dat KLM hem niet op staande voet had ontslagen en dat het plegen van strafbare feiten buiten de werksfeer geen verwijtbare gedraging jegens de werkgever oplevert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had aangelegd en dat KLM geen dringende reden voor ontslag op staande voet had geacht. De Raad vernietigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen, met aandacht voor de kosten en wettelijke rente.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beslissing.