Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college startte een onderzoek naar haar rechtmatigheid van bijstand vanwege vermoedens van samenwoning met haar zoon, het ontvangen van een Turks pensioen en langdurig verblijf in Turkije. Het college stelde een opschortingsbesluit en vervolgens een intrekkingsbesluit op grond van het niet tijdig overleggen van gevraagde documenten, waaronder originele pensioenbewijzen.
Daarnaast trok het college de bijstand in over diverse perioden waarin appellante langer dan de toegestane vier weken per kalenderjaar in Turkije verbleef, en vorderde de kosten terug. Ook werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, aanvankelijk vastgesteld op een bedrag dat later werd verlaagd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante verwijtbaar niet tijdig alle gevraagde stukken had overgelegd, waardoor het college terecht de bijstand introk. De intrekking wegens te lang verblijf in het buitenland werd eveneens bevestigd, omdat appellante geen toestemming had verkregen en onvoldoende bewijs leverde voor haar verblijf in Nederland in de betwiste perioden.
Ten aanzien van de boete stelde de Raad vast dat geen sprake was van grove schuld, maar van normale verwijtbaarheid, en stelde de boete vast op een lager bedrag. Het college werd veroordeeld in de kosten van appellante en het betaalde griffierecht werd vergoed.