ECLI:NL:CRVB:2018:4021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens te late bezwaar
Appellanten ontvingen een IOAW-uitkering die het college op 7 juni 2016 introk vanwege onbekende herkomst van stortingen op hun bankrekeningen. Het college vorderde vervolgens de te veel betaalde uitkering terug via een besluit van 20 juni 2016. Appellanten maakten bezwaar tegen beide besluiten, maar het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de bezwaartermijn voor het intrekkingsbesluit pas zou zijn gaan lopen na het terugvorderingsbesluit vanwege de nauwe samenhang. De Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat het intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit afzonderlijke besluiten zijn met eigen termijnen. Ook was er geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.
Verder stelde appellanten dat de terugvordering beperkt had moeten worden tot het deel van de uitkering waarop zij recht hadden en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit in rechte vaststaat, waardoor het college verplicht was de volledige te veel betaalde uitkering terug te vorderen. Dringende redenen voor kwijtschelding ontbraken, aangezien de financiële last inherent is aan terugvordering en appellanten bescherming genieten via de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college is verplicht de volledige te veel betaalde IOAW-uitkering terug te vorderen.