Appellant, voormalig ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kreeg met ingang van 1 oktober 2013 overtolligheidsontslag en wachtgeld toegekend tot de maand volgend op zijn 65e verjaardag. De staatssecretaris handhaafde de beëindiging van het wachtgeld bij 65 jaar ondanks verzoeken tot herziening. Vervolgens werden aanvullende regelingen getroffen voor tegemoetkoming AOW-hiaat en compensatie voor vervroegd ingaan ouderdomspensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde een eerder besluit, maar wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Appellant stelde hoger beroep in tegen de verkeerde aanname dat hij zijn beroep had ingetrokken en tegen de afwijzing van de schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat het beroep niet was ingetrokken en dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, omdat geen concreet inkomensoverzicht was overgelegd. De Raad vernietigde het besluit en beval hernieuwde besluitvorming waarbij de recente verhoging van de compensatieregeling moet worden betrokken. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn met ruim twee maanden was overschreden, waarvoor een vergoeding van €500 werd toegekend. De staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van €2.505 en tot vergoeding van griffierechten.