ECLI:NL:CRVB:2018:4205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verrekening bij inkomsten boven de bijstandsnorm bevestigd
Appellant ontvangt sinds november 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Vanaf april 2016 had hij wisselende inkomsten uit arbeid. Het college verrekende deze inkomsten over de maanden september en oktober 2016 met de bijstand, wat appellant betwistte. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat er een verrekeningsvordering was ontstaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat bij inkomsten boven de bijstandsnorm het college de bijstand moet intrekken en terugvorderen in plaats van verrekenen. De Raad oordeelde dat het college bevoegd is zowel tot intrekking en terugvordering als tot verrekening, en dat de wetsgeschiedenis geen voorrang geeft aan intrekking boven verrekening.
De Raad benadrukte dat de mogelijkheid tot verrekening is ingevoerd om financiële wijzigingen tijdens de bijstandsperiode op te vangen en dat deze bevoegdheid met ingang van 2013 is verruimd tot zes maanden. Het college heeft in redelijkheid gebruikgemaakt van de verrekeningsbevoegdheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.