ECLI:NL:CRVB:2018:4226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp onder Wmo 2015 bij aanspraak Wlz
Appellante is geïndiceerd voor zorgzwaartepakket LG 04 en ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor, inclusief een ophoging voor hulp bij het huishouden. Zij heeft daarnaast hulp bij het huishouden ontvangen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015. Het dagelijks bestuur heeft een aanvraag voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp afgewezen omdat appellante aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg onder de Wet langdurige zorg (Wlz), waarin ook huishoudelijke verzorging is begrepen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het pgb onvoldoende is om alle benodigde zorg en huishoudelijke hulp te bekostigen en dat artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 slechts een kan-bepaling is, waardoor zij recht zou hebben op een aanvullende maatwerkvoorziening. De Raad oordeelt dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 zijn vervuld en dat het college terecht heeft besloten geen maatwerkvoorziening te verstrekken.
Hoewel het college bevoegd blijft om een maatwerkvoorziening te verstrekken, heeft het dit in redelijkheid niet gedaan gezien de hogere ondersteuningsbehoefte die niet door de Wlz wordt gedekt. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het college heeft de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp terecht geweigerd omdat appellante aanspraak heeft op verblijf en zorg onder de Wlz.