ECLI:NL:CRVB:2018:439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Recht op ZW-uitkering wegens ongeschiktheid door borstvoeding en blootstelling aan schadelijke stoffen
Betrokkene, werkzaam als operator, meldde zich ziek vanaf 3 september 2015 omdat zij via haar werk in aanraking kwam met chemische stoffen die schadelijk konden zijn voor haar kind via de moedermelk. Het UWV weigerde een ZW-uitkering toe te kennen, stellende dat geen sprake was van ziekte of gebrek en dat de situatie niet viel onder de Richtlijn categorie VI.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van werkgeefster gegrond wegens onvoldoende motivering van het UWV en beval een nieuwe beslissing. In hoger beroep handhaafde het UWV zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat de ongeschiktheid van betrokkene haar oorzaak vindt in de bevalling en dat de Richtlijn categorie VI ook na de bevalling van toepassing is. Het UWV had onvoldoende onderbouwd waarom betrokkene geen recht had op uitkering.
De Raad stelde dat het UWV niet in staat was zijn standpunt te onderbouwen en voorzag zelf in de beslissing dat betrokkene vanaf 3 september 2015 recht heeft op een ZW-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van werkgeefster.
Uitkomst: Betrokkene heeft vanaf 3 september 2015 recht op een ZW-uitkering wegens ongeschiktheid door blootstelling aan schadelijke stoffen via borstvoeding.