ECLI:NL:CRVB:2018:630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling laattijdige Wajong-aanvraag en arbeidsongeschiktheid rond 17e levensjaar
Appellante diende een Wajong-aanvraag in, 25 jaar na haar 17e levensjaar, waarbij zij stelde dat haar chronische burn-out en PTSS hun oorsprong vonden in jeugdtrauma's en dat zij destijds arbeidsongeschikt was. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd. In hoger beroep handhaafde het UWV het besluit en stelde dat appellante geen recht had op een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De Raad beperkte de beoordeling tot de vraag of de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het UWV standhield. Gezien de zeer laattijdige aanvraag rust de bewijslast op appellante om haar medische situatie rond haar 17e jaar aannemelijk te maken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde op basis van dossiergegevens en hoorzitting dat er geen evident psychisch ziektebeeld was op die leeftijd en dat latere psychische klachten niet automatisch wijzen op arbeidsongeschiktheid op het 17e en 18e levensjaar.
De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 januari 2018, die retrospectief is opgesteld, werd niet voor onjuist gehouden. De arbeidsdeskundige beoordeelde drie functies als passend, wat duidt op minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid rond het 17e levensjaar.