ECLI:NL:CRVB:2018:648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in bezwaarprocedure
Appellante, met de Nederlandse nationaliteit woonachtig in Zweden, had een AOW-pensioen aangevraagd dat met 4% werd gekort vanwege haar niet-ingezetenschap in Nederland van 16 juni 2012 tot en met 29 oktober 2014. De rechtbank had geoordeeld dat appellante niet als verplicht verzekerde kon worden aangemerkt in deze periode omdat zij niet in Nederland woonde en geen belasting of premies had betaald die verband houden met de AOW.
Appellante stelde dat zij onterecht ongelijk werd behandeld ten opzichte van gehuwden die wel in Nederland woonden en vergelijkbare premies betaalden. De Raad oordeelde dat het verschil in ingezetenschap een objectief gerechtvaardigd onderscheid vormt en dat de genoemde premies voor ziektekosten en AWBZ niet relevant zijn voor de AOW-verzekering.
De Raad wees ook op vaste jurisprudentie dat het discriminatieverbod niet van toepassing is op onderscheid naar woonplaats bij ingezetenenverzekeringen. Tevens is de Raad niet bevoegd de AOW-wetgeving te toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden of de Grondwet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De korting van 4% op het AOW-pensioen wordt bevestigd omdat appellante in de periode geen ingezetene was en geen AOW-premie betaalde.