ECLI:NL:CRVB:2018:671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens geschatte arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en viel in 2008 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende aanvankelijk een WIA-uitkering toe vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling stelde het UWV in 2014 dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Dit besluit werd door de voorzieningenrechter bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen werden onderschat, mede op basis van een rapport van een verzekeringsarts en informatie van de behandelend sector. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellant minder dan 40 uur per week belastbaar is en dat er sprake is van PTSS en andere psychische klachten.
De Raad volgt het deskundigenrapport en oordeelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de urenbeperking. Omdat de geselecteerde functies vrijwel uitsluitend voltijds zijn, zijn deze niet geschikt voor appellant. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van het deskundigenrapport.