ECLI:NL:CRVB:2018:739
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.C.W. Lange
- H.G. Rottier
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellanten waren betrokken bij verschillende rechtspersonen die failliet zijn verklaard, waaronder een stichting en twee besloten vennootschappen. Zij hadden arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met de laatste vennootschap, waarin zij als woonbegeleiders werden aangesteld met een salaris. Na het faillissement van deze vennootschap vroegen zij een WW-uitkering en een faillissementsuitkering aan.
Het UWV wees deze aanvragen af omdat er geen sprake was van een gezagsverhouding en daarmee geen privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat ondanks de arbeidsovereenkomst, de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden geen gezagsverhouding vertoonde. Er was geen controle of instructies vanuit de werkgever, en premies waren niet afgedragen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat het gezag werd uitgeoefend door collega’s en dat premies achteraf waren gecorrigeerd. De Raad oordeelde dat aanwijzingen van collega’s niet gelijkstaan aan werkgeversgezag en dat premiebetaling niet doorslaggevend is voor het bestaan van een dienstbetrekking. De Raad bevestigde dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en dat appellanten geen werknemer waren in de zin van de WW, waardoor zij geen recht hadden op de gevraagde uitkeringen.
Uitkomst: Appellanten hebben geen recht op WW-uitkering omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond door het ontbreken van een gezagsverhouding.