Uitspraak
16.5116 WWB
OVERWEGINGEN
.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 30,- voor reiskosten, in totaal € 2.034,-.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht waarin de intrekking en terugvordering van bijstand werd geregeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om schadevergoeding over de periode 6 juli 2013 tot 1 oktober 2013 buiten de omvang van het geding viel, omdat deze schade verband hield met een nieuwe aanvraag en niet met de intrekkingsprocedure.
Verder werd vastgesteld dat appellante haar schadeverzoek over de periode 1 februari 2013 tot 1 oktober 2013 had ingetrokken na toezegging van het college om een primair besluit te nemen. De Raad constateerde dat het college in het bestreden besluit de wettelijke rente over de nabetaling en aflossingen niet correct had gespecificeerd en vastgesteld, wat strijdig was met artikel 4:99 Awb Pro.
De Raad stelde zelf de juiste berekeningswijze van de wettelijke rente vast, waarbij de rente vanaf de eerste dag van de maand volgend op het tijdvak van de betaling loopt en jaarlijks wordt bijgeteld. Uiteindelijk werd vastgesteld dat appellante recht had op een wettelijke rente van €134,23, terwijl het college reeds €149,03 had betaald, waardoor er sprake was van een overbetaling.
Het verzoek tot schadevergoeding wegens vertraging werd afgewezen omdat de schade reeds was vergoed via de wettelijke rente. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad stelt de wettelijke rente vast op €134,23, wijst het schadevergoedingsverzoek af en veroordeelt het college in de proceskosten.