Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en kreeg boodschappen van derden zonder dit te melden, wat een schending van haar inlichtingenverplichting vormde. Het college herzag en vorderde bijstand terug op basis van alimentatiebetalingen van een ex-partner en de ontvangen boodschappen. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit over boodschappen.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat het college terecht de alimentatiebetalingen van de ex-partner meerekende, gebaseerd op bankafschriften en sms-berichten die een periodiek karakter van € 200,- per maand aannemelijk maakten. De herziening van de bijstand wegens boodschappen was slechts gerechtvaardigd voor de maanden juli tot en met september 2019, omdat in oktober en november de uitgaven niet als zeer bijzondere situatie konden worden gekwalificeerd.
De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij met minder dan de Nibud-referentiecijfers rond kon komen en dat het college bij de afstemming van de bijstand bij wijze van schatting mocht aansluiten bij deze referentiecijfers. Het college werd veroordeeld tot terugbetaling van teveel geïnde bedragen, vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. De uitspraak vervangt het vernietigde besluit over de terugvordering.