ECLI:NL:CRVB:2018:769

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
15 maart 2018
Zaaknummer
16/6573 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWArt. 2.7 Besluit zorgverzekering
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten gebitsprothese wegens ontbreken acute noodsituatie

Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een gebitsprothese. Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als een toereikende en passende voorliggende voorziening wordt beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat artikel 15 van Pro de Participatiewet geen bijstand toelaat wanneer een voorliggende voorziening bestaat die passend en toereikend is. De Zorgverzekeringswet geldt hiervoor voor tandheelkundige kosten, ook als niet alle kosten volledig worden vergoed.

Verder stelde de Raad dat uitzonderingen mogelijk zijn bij zeer dringende redenen, die een acute noodsituatie vereisen. De situatie van appellante, ondanks haar slechte inkomenspositie en afhankelijkheid van de prothese voor eten, voldeed hier niet aan. Ook het argument van rechtsongelijkheid vanwege beleid van andere gemeenten werd verworpen vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de Participatiewet.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van een acute noodsituatie.

Uitspraak

16/6573 PW
Datum uitspraak: 6 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
9 september 2016, 15/5460 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. R.J.A. Verhoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Verhoeven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 10 juni 2015 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van een gebitsprothese. Appellante heeft daarbij opgegeven dat de gebitsprothese € 1.252,- heeft gekost en dat zij daarvan € 642,05 dient te voldoen aan haar zorgverzekeraar.
1.2.
Bij besluit van 31 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante voor de gevraagde kosten van een nieuwe gebitsprothese een vergoeding kan krijgen van haar zorgverzekeraar en dat die vergoeding voldoende en passend is. De kosten zijn evenmin aan te merken als bijzondere kosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9838) dient voor de kosten van een tandheelkundige
behandeling, daaronder begrepen een gebitsprothese, de Zorgverzekeringswet (Zvw),
mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de PW (voorheen: Wet werk en bijstand) voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding
in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW in beginsel aan bijstandsverlening in de weg. Zoals vaker overwogen (uitspraak van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4024) doet aan het voorgaande niet af dat de door betrokkene gemaakte kosten - zoals ook in dit geval - niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. Dit brengt met zich dat de rechtbank, anders dan aangevoerd, terecht met verwijzing naar vaste rechtspraak heeft overwogen dat artikel 15, eerste lid, van de PW aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat.
4.3.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan toch bijstand worden verleend indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is van zeer dringende redenen slechts sprake
in geval van een acute noodsituatie, dat wil zeggen een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Dat appellante voor onder meer het eten van (stevig) voedsel is aangewezen op een gebitsprothese en dat haar inkomenssituatie slecht is, levert geen acute noodsituatie op.
4.5.
De stelling dat de kosten van een gebitsprothese in het verleden wel altijd werden vergoed door het college kan appellante niet baten. Zonder concrete toezegging kan appellante daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat - in weerwil van wettelijke
voorschriften - voor dergelijke kosten ook in de toekomst bijzondere bijstand zou worden verleend. Het betoog van appellante dat andere gemeenten, waaronder Heerhugowaard, wel beleidsmatig bijzondere bijstand toekennen voor de eigen bijdrage in geval van kosten van een gebitsprothese en dat daarmee sprake is van onaanvaardbare rechtsongelijkheid, kan evenmin doel treffen. De PW voorziet in een gedecentraliseerde uitvoering, waarmee de mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is gegeven.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.M. Pasmans

LO