Uitspraak
9 september 2016, 15/5460 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een gebitsprothese. Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als een toereikende en passende voorliggende voorziening wordt beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat artikel 15 van Pro de Participatiewet geen bijstand toelaat wanneer een voorliggende voorziening bestaat die passend en toereikend is. De Zorgverzekeringswet geldt hiervoor voor tandheelkundige kosten, ook als niet alle kosten volledig worden vergoed.
Verder stelde de Raad dat uitzonderingen mogelijk zijn bij zeer dringende redenen, die een acute noodsituatie vereisen. De situatie van appellante, ondanks haar slechte inkomenspositie en afhankelijkheid van de prothese voor eten, voldeed hier niet aan. Ook het argument van rechtsongelijkheid vanwege beleid van andere gemeenten werd verworpen vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de Participatiewet.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van een acute noodsituatie.