ECLI:NL:CRVB:2018:875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 2011 bijstand als alleenstaande, maar werd op grond van anonieme meldingen onderzocht vanwege vermoedens van samenwonen op een ander adres en handel via Marktplaats. Uit onderzoek bleek dat appellant in de periode 2011-2012 regelmatig goederen verkocht zonder dit te melden, en vanaf 2013 feitelijk niet meer op het uitkeringsadres woonde, maar samenwoonde met zijn vriendin.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Appellant voerde aan dat hij recht had op bijstand omdat hij niet actief was op Marktplaats in de tweede periode en samenwonen niet leidde tot het verlies van recht op bijstand. De Raad oordeelde dat de woon- en leefsituatie van appellant en zijn vriendin voldeed aan de criteria van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellant niet als alleenstaande recht had op bijstand.
Verder stelde appellant dat er dringende redenen waren om niet terug te vorderen, onder meer vanwege de lange duur van het onderzoek en zijn aflossingen. De Raad verwierp dit, stellende dat alleen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen tot ontheffing kunnen leiden en appellant dat niet aannemelijk had gemaakt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en het samenwonen van appellant.