ECLI:NL:CRVB:2018:982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm op bijstand bij inwonend kind met zorgplicht
Appellante ontvangt sinds 2005 bijstand en woont met haar moeder samen. Het college heeft haar bijstand vanaf 1 juli 2015 verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm, omdat haar moeder als medebewoner wordt aangemerkt. De rechtbank vernietigde dit besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand; de Raad bevestigt dit oordeel.
Appellante stelde dat vanwege haar zorg voor een dementerende moeder, haar eigen beperkingen en het feit dat kosten niet vanzelfsprekend gedeeld worden, de kostendelersnorm niet toegepast zou moeten worden. De Raad oordeelt dat de aard van het inkomen of het feitelijk delen van kosten niet relevant is en dat mantelzorgsituaties bewust niet zijn uitgezonderd van de norm.
Verder faalden de bezwaren dat het college de bijstand hoger had moeten vaststellen op grond van bijzondere omstandigheden, dat de toepassing tot een schrijnende financiële situatie leidde, of dat er sprake was van schending van het eigendomsrecht, het recht op privé- en familieleven, of het discriminatieverbod. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.