ECLI:NL:CRVB:2019:114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen op 18-jarige leeftijd
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015, welke door het UWV is afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Het UWV baseerde dit op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waaruit bleek dat appellante arbeidsvermogen bezit.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij stelde vast dat appellante rond haar 18e jaar niet zodanig ziek was dat zij niet kon werken, mede omdat zij toen niet in behandeling was en een arbeidsverleden had als verkoopster. De rechtbank concludeerde dat appellante in staat was ten minste vier uur per dag te werken.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunten herhaald, waaronder haar psychische klachten sinds jonge leeftijd en haar arbeidsverleden met meerdere werkgevers. De Raad onderschreef echter de eerdere motivering en het arbeidsdeskundige rapport uit 2006, en concludeerde dat appellante op haar 18e in staat was een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.