Uitspraak
17.2586 ZW
1 maart 2017, 16/1525 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant had zich vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en de Wet WIA met een verzekerd dagloon van €150,-. Na een verzoek tot wijziging van het dagloon en beëindiging van de verzekering per 1 februari 2016 vroeg appellant om restitutie van de premies over 2014 en 2015.
Het UWV weigerde restitutie en beëindiging met terugwerkende kracht, wat door de rechtbank werd bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de gedragslijn van het UWV om verzekeringen slechts per toekomstige datum te beëindigen, gelet op het gelopen risico, aanvaardbaar is en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV geen risico had gelopen en dat de weigering tot restitutie onredelijk was. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het ontbreken van risico geen bijzondere omstandigheid vormt. Ook het betoog over schending van de redelijkheid en billijkheid faalde. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot restitutie van premies wordt bevestigd.