ECLI:NL:CRVB:2019:1193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant was werkzaam als steigerbouwer en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat appellant met inachtneming van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geschikt is voor zeven geselecteerde functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen werd berekend dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor zijn ziekengeld werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat. Ook voerde hij aan dat hij niet voldeed aan de opleidingseis voor de functie van loketbediende. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn beroep had beperkt tot de geschiktheid voor de geselecteerde functies en dat de FML niet in geschil was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat appellant zich niet vrij kon beroepen op medische bezwaren die niet in eerste aanleg waren ingebracht. De Raad vond dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant medisch geschikt was voor de functies en dat het opleidingsniveau voor de functie van loketbediende passend was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij medisch geschikt is voor de geselecteerde functies en meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.