ECLI:NL:CRVB:2019:1226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens ontbreken woonlasten bij bewoning op boot bevestigd
Appellant ontvangt bijstand als alleenstaande en woont feitelijk op een boot zonder vaste ligplaats en zonder huur- of andere woonlasten. Het college heeft de bijstand verlaagd tot 45% van de gehuwdennorm, omdat appellant geen woonlasten heeft, maar wel verblijfskosten zoals olie, gas en onderhoud. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering.
In hoger beroep heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de bijstand vastgesteld op de norm voor een alleenstaande minus €230, de norm voor huurkosten, conform beleidsregels Participatiewet 2016. De Centrale Raad toetste het nader besluit en oordeelde dat het college terecht uitging van lagere noodzakelijke kosten door het ontbreken van woonlasten.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat onderhouds- en energiekosten als woonlasten moeten worden beschouwd, omdat deze niet onder de beleidsregels vallen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigden. Het beroep tegen het nader besluit werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van de bijstand wegens ontbreken van woonlasten wordt ongegrond verklaard.