ECLI:NL:CRVB:2020:319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens ontbreken woonlasten bij wonen in auto
Appellante ontving bijstand en woonde in een auto vanwege haar aandoening hyperacusis. Het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland kende haar bijstand toe, maar verlaagde deze met 20% omdat zij geen woonkosten had en de auto niet als woning kon worden beschouwd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond, stellende dat de auto niet als zelfstandige woning kan worden aangemerkt omdat elementaire voorzieningen zoals water, elektriciteit, toilet en douche ontbreken. Ook vond de rechtbank dat de beleidsregels niet in strijd zijn met de wet en niet kennelijk onredelijk.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar auto als marginale woning moet worden beschouwd en dat zij vanwege haar gezondheid niet in een gewoon huis kan wonen. De Raad oordeelde echter dat deze gronden onvoldoende zijn om af te wijken van de beleidsregels. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat de lagere bijstand samenhangt met lagere woonkosten.
De Raad bevestigde daarmee het besluit tot verlaging van de bijstand en wees erop dat appellante geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen. Tevens werd gewezen op eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare situaties werden beoordeeld.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 februari 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand met 20% wegens het ontbreken van woonlasten bij het wonen in een auto zonder elementaire voorzieningen.