ECLI:NL:CRVB:2019:1345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO- en WAZ-uitkering door UWV
Appellant ontving vanaf april 1995 een WAO- en WAZ-uitkering en was daarnaast als zelfstandige en later als directeur-grootaandeelhouder werkzaam. Tot 2004 verstrekte hij jaarlijks inkomstenoverzichten, waarna het UWV dit niet meer expliciet vroeg. In 2014 constateerde het UWV dat het geen inkomensgegevens over de periode vanaf 2004 had en verzocht appellant deze alsnog te verstrekken.
Het UWV stelde bij besluiten in januari 2015 de uitkeringen over 2004-2013 nader vast en vorderde een bedrag van € 92.839,93 terug wegens onverschuldigde betalingen. Na bezwaar werd dit bedrag aangepast tot € 86.207,02. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht terugvordering toepaste en dat er geen sprake was van verjaring.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV al eerder op de hoogte was van zijn inkomsten en dat hij daarom geen informatie hoefde te verstrekken. Het UWV stelde dat het pas in 2014 over voldoende gegevens beschikte en dat appellant zich bewust moest zijn van de invloed van zijn inkomsten op de uitkering.
De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de wet en het buitenwettelijke beleid verplicht was tot terugvordering en dat de verjaringstermijn pas in 2014 begon toen het UWV de relevante feiten kende. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen door het UWV en wijst het hoger beroep af wegens het ontbreken van verjaring.