ECLI:NL:CRVB:2019:1433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 4 april 2007
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een WIA-uitkering door het Uwv. Na een tussenuitspraak waarin het Uwv werd opgedragen de gebreken in het besluit te herstellen, heeft het Uwv nader onderzoek laten verrichten. Dit onderzoek, onder meer door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, concludeerde dat appellant op 4 april 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellant voerde medische en psychische beperkingen aan, maar deze werden niet onderbouwd met voldoende bewijs voor de relevante datum. De Raad volgde de verzekeringsarts in de conclusie dat er geen ernstige fysieke of psychische beperkingen waren die een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage rechtvaardigden. De schouderbeperkingen waren pas in 2010 ontstaan en dus niet relevant voor de beoordeling per 2007.
De Raad oordeelde dat het Uwv de gebreken in het bestreden besluit had hersteld en dat de afwijzing van de WIA-aanvraag terecht was. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WIA-uitkering is terecht afgewezen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 4 april 2007.