ECLI:NL:CRVB:2019:1538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over dagloonberekening bij ontslag op staande voet in WIA-uitkering
Appellant was werkzaam bij een werkgever en werd op staande voet ontslagen. Na een periode van werkloosheid en ziekte meldde hij zich ziek bij een volgende werkgever, waarna het dienstverband eindigde. Het UWV stelde het dagloon vast voor de WIA-uitkering op basis van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 2015. Appellant maakte bezwaar tegen deze berekening, stellende dat hij recht had op toepassing van een fictieve opzegtermijn zonder vergoeding.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant niet voldeed aan de uitzondering in artikel 16, zesde lid, van het Dagloonbesluit. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Bij ontslag op staande voet geldt geen opzegtermijn en appellant had geen vergoeding ontvangen op grond van de relevante BW-artikelen.
De Raad wees ook het beroep op een eerdere uitspraak af, omdat die betrekking had op de WW en een andere situatie betrof. De Raad concludeerde dat het Dagloonbesluit 2015 correct is toegepast en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.