ECLI:NL:CRVB:2019:160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening vaststelling maatmaninkomen en arbeidsongeschiktheid bij loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante was mede-eigenaar van een vennootschap onder firma en werd in het derde boekjaar arbeidsongeschikt. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op basis van het maatmaninkomen over het voltooide boekjaar 2012, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 53,73%.
De rechtbank onderschreef dit besluit, maar appellante stelde in hoger beroep dat ook het jaar 2011 meegewogen moest worden, wat een hogere mate van arbeidsongeschiktheid tot gevolg zou hebben. Het UWV hield vast aan het beleid om alleen volledige boekjaren te gebruiken.
De Raad oordeelde dat het maatmaninkomen moet worden vastgesteld op basis van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de twee voltooide boekjaren 2011 en 2012, omdat appellante in het derde boekjaar arbeidsongeschikt werd. Dit geeft een representatiever beeld en leidt tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. De eerdere uitspraak werd vernietigd en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante wordt vastgesteld op 65-80% en het besluit van het UWV wordt herroepen.