ECLI:NL:CRVB:2019:1603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen vanaf 12 juni 2013, omdat zij toen minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep kende het UWV haar alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 80% vanaf 15 juni 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte was uitgegaan van een maatmanomvang van 32 uur per week in plaats van 36 uur.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen procesbelang had bij dit hoger beroep, omdat de hoogte van de uitkering niet zou veranderen bij een andere maatmanomvang. Ook een mogelijke toekomstige herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid bood geen voldoende procesbelang. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 april 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.