ECLI:NL:CRVB:2019:1809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om toewijzing van een omklapwoning op grond van Wmo 2015
Appellante verblijft sinds september 2017 met haar kinderen in een opvang voor dakloze gezinnen en verzocht het college om een omklapwoning toe te kennen, een zogenoemde UMO-woning. Het college wees dit verzoek af omdat appellante volgens hen voldoende zelfredzaam is en geen maatwerkvoorziening opvang ontvangt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
Appellante stelde dat de opvang waarin zij verblijft wel een maatwerkvoorziening is, gezien het voorafgaande onderzoek en de intensieve begeleiding, en dat zij voldoet aan het wettelijke criterium voor opvang. Daarnaast voerde zij aan dat het langer dan drie maanden verblijven in de opvang in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en deed een beroep op de hardheidsclausule.
De Raad oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat de opvang geen maatwerkvoorziening is en dat appellante voldoende zelfredzaam is. De belangen van de kinderen zijn meegewogen, maar gaven geen aanleiding tot een andere beslissing. Er was geen grond om de hardheidsclausule toe te passen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en er is geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een omklapwoning wordt afgewezen omdat appellante geen maatwerkvoorziening opvang ontvangt en voldoende zelfredzaam is.