Uitspraak
16.5640 WAO
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in voor twee periodes vanwege vermoedens van betrokkenheid bij hennepteelt en handel in merkkleding. In periode I (2007-2009) vond het UWV een hennepkwekerij op het perceel van appellant, maar het hof sprak appellant vrij van medeplegen. In periode II (2011-2012) werd appellant veroordeeld voor het telen en verhandelen van hennep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de intrekking van de uitkering en terugvordering over beide periodes. In hoger beroep stelde appellant dat hij in periode I niet betrokken was bij de hennepkwekerij en dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd. Ook betwistte hij de omvang en duur van periode II.
De Raad oordeelde dat appellant in periode I voldoende had aangetoond geen inkomsten uit de hennepkwekerij te hebben ontvangen en dat het UWV zijn inlichtingenplicht niet had geschonden. Daarom was de intrekking en terugvordering over periode I onterecht. Voor periode II was appellant wel betrokken en had hij zijn inlichtingenplicht geschonden, waardoor het UWV de inkomsten schattenderwijs mocht vaststellen en een boete mocht opleggen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor periode I, herroept het besluit tot intrekking en terugvordering over die periode en bevestigt de boete van € 2.269,- voor periode II. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering over periode I wordt vernietigd, de intrekking over periode II blijft gehandhaafd met een boete van € 2.269,-.