ECLI:NL:CRVB:2019:1880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melden zelfstandige activiteiten en afwijzing nieuwe aanvraag
Appellant ontving sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een onderzoek door de gemeente Amsterdam kwam naar voren dat appellant sinds april 2015 als zelfstandige werkzaamheden verrichtte en financiële ondersteuning ontving, zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand vanaf 22 april 2015 ingetrokken.
Appellant voerde aan dat zijn werkzaamheden geen op geld waardeerbare activiteiten waren en dat ontvangen bedragen leningen betroffen. De Raad oordeelde dat de werkzaamheden wel degelijk op geld waardeerbaar waren en dat de ontvangen bedragen als inkomen moesten worden beschouwd, ongeacht de aard van de betalingen.
Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand over de periode, mede omdat hij geen deugdelijke administratie over de werkzaamheden kon overleggen. Ook de nieuwe aanvraag om bijstand werd afgewezen omdat appellant nog steeds als bestuurder en aandeelhouder stond ingeschreven en er geen wijziging van omstandigheden was.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam en wees de hoger beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand vanaf 22 april 2015 en de afwijzing van de nieuwe aanvraag worden bevestigd.